|
 |
Startpagina Recht & onrecht Documenten
|
 |
 |
“Geld mag geen reden zijn om... |
“Geld mag geen reden zijn om geen normale geschooldheid te bereiken”
(blz. 345 en volgende):
Het huidige pedagogische gepraat lijkt geen rekening te houden met financiële aspecten. De ouders moeten betalen om tentoonstellingen of musea te bezoeken, om mee te gaan met de bos-, zee- of natuurklassen, om boeken of schoolboeken te kopen, om het nodige materiaal te kopen om een beroep te leren, om naar de bibliotheek te gaan, om naar school te gaan, om te eten, om zich te kleden, om aanvullende pedagogische begeleiding te krijgen, enz. Daar bepaalde gezinnen over erg weinig middelen beschikken, gaan die kinderen als ‘economisch zwakkeren’ naar school.
Zo’n situatie leidt niet alleen tot flagrante segregatie, maar ook tot geleidelijke privatisering van het onderwijs waarbij alle gezinnen de studies van hun kinderen moeten financieren, wat voor de armen een bijzonder pijnlijke zaak is.
- Het wordt dus een dwingende noodzaak om niet alleen met woorden maar vooral ook met daden te bevestigen dat het onderwijs tijdens de periode van de leerplicht volledig gratis is.
- Voor de kinderen van personen of gezinnen die in een situatie van bestaansonzekerheid of van grote armoede leven, zou men verplicht de kosten moeten dekken voor de maaltijden op school, voor transport, verzekering, elementair schoolgerief en voor de bijbehorende kosten die nodig zijn om normaal te kunnen schoolgaan, in het besef dat de school dé toegangspoort bij uitstek is tot de lokale culturele activiteiten.
- Gratis onderwijs kan concreet worden gerealiseerd door alle betrokken gezinnen op de hoogte te brengen van de mogelijkheid om een studiebeurs aan te vragen. Onderzoekingen hebben aangetoond dat één vierde van de rechthebbenden op studiebeurzen daar geen gebruik van maakte, vooral niet de ouders met een zeer lage scholingsgraad. Men zou de nodige informatie kunnen geven bij de inschrijving op school, samen met wat hulp om de vooraf vereenvoudigde administratieve documenten in te vullen. Tegelijk zouden de betrokken diensten zich soepel moeten opstellen: niet slagen moet niet meteen bestraft worden met het intrekken van de studiebeurs.
- Tijdens het schooljaar, maar vooral aan het begin ervan, zouden er automatisch studie-uitkeringen moeten worden toegekend aan degenen wiens inkomen niet toereikend is om de gewone uitgaven te dekken (met inbegrip van de aankoop van didactisch materiaal zoals een woordenboek...).
- Over de occasionele kosten, bijvoorbeeld om naar voorstellingen te gaan, een reis of uitstapje te maken, maar ook voor de studie met toezicht of de inhaallessen, zou elke school moeten nadenken over mogelijke oplossingen die de waardigheid van kinderen en ouders respecteren. Experimenten tonen aan dat men een soort van solidariteitskas kan oprichten, dat de school of de klas acties om geld in te zamelen kan organiseren, en dat het nodig is om scholen met veel kansarme kinderen een bijkomend budget te geven dat alleen voor die kinderen gebruikt zou worden. |
Een pedagogie van openheid en solidariteit |
(blz. 357 en volgende)
“Wij, gezinnen uit de vierde wereld, willen dat onze kinderen en dat alle kinderen op school iets leren: dat ze goed leren lezen en schrijven, dat ze een beroep leren om hun boterham te verdienen, zodat ze niet in miserie moeten leven zoals wij. Maar alleen slagen wij daar niet in.”
Heel wat leerkrachten werken in die zin en hebben de fundamenten gelegd voor een onderwijsmethode die:
- rekening houdt met de gezinssituatie,
- de kinderen openstelt voor de wereld,
- het leren zin geeft en
- belang hecht aan de relaties tussen de kinderen onderling.
Vanuit de vaststelling dat heel wat kansarme kinderen opgesloten blijven in een enge wereld, hebben sommige leerkrachten acties voor meer openheid naar de wereld toe op het getouw gezet. Daarbij verlaat men het klaslokaal en trekt men erop uit om dingen te bezoeken, te ontdekken, vragen te stellen; men staat open voor de projecten van de kinderen en er worden contacten gelegd met kinderen van verschillende scholen.
In het besef dat de kennis die op school wordt overgedragen, voor de kansarme gezinnen niet dezelfde betekenis heeft, heeft men getracht het leren zin te geven. Men is daarin geslaagd door vooral nuttige dingen aan te leren (leren wegen om te kunnen koken, een recept of een brief lezen, z’n weg vinden in een buurt die men niet kent, gebruik maken van het openbaar transport, leren telefoneren, enz.)…
De kinderen betrekken in het leerproces en bij het leven op school, werd voor alle kinderen doorslaggevend geacht om te slagen. De leerkrachten hebben dat concreet gestalte gegeven door de leerlingen te leren aan zelfevaluatie te doen, door formatieve toetsen te houden, door klassenraden te organiseren, door individueel en groepswerk af te wisselen, door individuele lessen te geven, door homogene en heterogene groepen te vormen, door elkaar iets te laten aanleren, enz.
Bovendien achten leerkrachten en personen die dicht bij zeer arme gezinnen werken , het onontbeerlijk om, met het oog op het onthaal en het leren van iedereen, alle kinderen gevoelig te maken voor de kennis en eerbiediging van de meest kansarme, en om houdingen van solidariteit binnen de school op te zoeken en te ontwikkelen.
“Kennis samen delen, wat verandert dat in de klas? De sfeer is anders. Wij zijn als een familie. De verstandhouding is beter. We praten makkelijker met elkaar. Alle leerlingen gaan vooruit. De leraar kan sneller werken. De zwakkeren beginnen zich gelijkwaardig te voelen en worden graag gezien. Ze zijn meer ontspannen. Degene die uitleg geeft, is trots te kunnen helpen en voelt zich verantwoordelijk. Nu ga ik echt goed met mijn vriendjes om. De verstandhouding is goed.”
Al die praktijken hebben een gemeenschappelijke noemer: er wordt positieve discriminatie ingevoerd zodat iedereen kan bijleren.
De overheid moet de leerkrachten, pedagogische teams en scholen aanzetten tot het ontwikkelen van pedagogieën die rekening houden met wat hun schoolbevolking eigenlijk meemaakt en met de wereldsituatie. Dit zijn pedagogieën waarbij het leerproces een zin krijgt, waaraan de leerlingen moeten deelnemen en waarmee zij zich solidair voelen.
Een opleiding naar de Mensenrechten, met inbegrip van de opvatting van armoede als schending van de Mensenrechten moet worden ingevoerd in de basisonderwijsprogramma’s en in alle richtingen van het secundair onderwijs. |
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens |
Vlaamse Regeerakkoord 2004 |
 |
Site-overzicht |
 |
 |
 |
|