Goed(koop) onderwijs - De Werf, Aalst
woensdag 11 mei 2005
Geachte aanwezigen,
Onderwijs en kansarmoede. Er is al veel over dit onderwerp geschreven en gepalaverd. Want onderwijs moet mee helpen zorgen voor reële sociale gelijkheid, zeker nu de kenniseconomie het belang van onderwijs en vorming nog sterker maakt. Recent onderzoek wijst uit dat de kans op slagen in het onderwijs van jongeren uit achtergestelde milieus beduidend lager is dan die van andere jongeren. Het onderwijsniveau van hun ouders blijft nog altijd doorslaggevend voor de onderwijskansen van kinderen. Het onderwijsniveau van de ouders heeft een invloed op de doorstroming door het onderwijs. En het bepaalt ook de studiekeuze en de kans om doorverwezen te worden naar het buitengewoon onderwijs. Daarnaast hebben ook andere factoren een effect op de onderwijskansen van de jongeren: het gezinsinkomen, gekoppeld aan de arbeidssituatie (werkloosheid, invaliditeit ...) en de gezinssituatie, en ook de etnische afkomst De oplossing van dit oude knelpunt moet nu voortgang maken. Het is al jaren dat verenigingen waar armen het woord nemen dezelfde problemen benoemen. Een uitweg zoeken voor die problemen is natuurlijk niet simpel. Maar dankzij de gedreven inbreng van verenigingen waar armen het woord nemen, en onze samenwerking met geëngageerde onderzoekers en onderwijsmensen, leerde de overheid de voorbije jaren beter waar het schoentje wringt. Het is samen met alle betrokkenen (leerlingen, ouders, scholen, scholenondersteunende instanties, beleid) dat we de krachten willen bundelen om de kwaliteit van het Vlaams onderwijs een duw in de rug te geven. Want goed onderwijs voor allen is een kwaliteitszaak, waaraan ik zeer zwaar til.
Ik gaf mijn beleidsnota dan ook het motto 'Vandaag kampioen in wiskunde, morgen ook in gelijke kansen'. Het onderwijs in Vlaanderen doet het in internationale vergelijkingen zeer goed, maar die hoge prestatiegemiddelden verhullen grote verschillen tussen de resultaten van leerlingen. In die verschillen speelt de socio-economische achtergrond van leerlingen een belangrijke rol. Maar kwaliteitsvol onderwijs is geen recht voor een deel van de kinderen, of een deel van de ouders. Alle ouders moeten voor hun kinderen verwachtingen kunnen koesteren inzake onderwijs en zij moeten die verwachtingen ingelost zien. De onderwijskansen, de toekomst en het welbevinden van alle kinderen moet onze bekommernis zijn. Het kan niet dat kansarme mensen het gevoel blijven hebben dat er een grote afstand gaapt tussen hun wereld en die andere wereld, waar wél kansen zijn en waarin het onderwijs zich afspeelt. En er is grote nood aan een onderwijs waar structuren en mensen ook op maat zijn van wie het moeilijk heeft. De vzw De Link die is opgericht om een opleiding voor ervaringsdeskundigen in de armoede te realiseren en ze in alle sectoren van de samenleving aan het werk te zetten, formuleerde het zo. 'Het gaat niet alleen om een kenniskloof, vaardigheidskloof, gevoelskloof en krachtenkloof tussen beide werelden, maar het gaat in eerste instantie om een structurele participatiekloof.' Deze kinderen moeten dus gelijkwaardig aan het onderwijs kunnen deelnemen. Op de overheid rust alleszins de verantwoordelijkheid om een goed kader te scheppen. Een kader waarin leerkrachten in goede omstandigheden met leerlingen kunnen werken, waarin ouders hun kind met een gerust gevoel naar school kunnen laten gaan en waarin jonge mensen groeien in kennis en vaardigheden en bereid zijn om verantwoordelijkheden op te nemen. Pas dan zal het kinderrechtenverdrag zijn echte vertaling naar de realiteit kennen en pas dan zetten we op het vlak van gelijke onderwijskansen andermaal een stap vooruit.
(MIDDELEN EN STRUCTUREN) Dat is niet alleen maar toch in belangrijke mate een kwestie van centen, het thema dat hier vandaag centraal staat. Aan het onderwijs hangt een prijskaartje, dat ouders met een laag inkomen moeilijk kunnen betalen. Het is schokkend dat de directe en indirecte kosten voor ouders de voorbije 10 jaar aanzienlijk gestegen zijn, zowel in het basisonderwijs als in het secundair onderwijs. En dat die stijging geen gelijke tred hield met de toename in gemiddelde levensduurte. Vraag is hoe die evolutie kan worden stopgezet. Voor een stuk kunnen scholen zelf het probleem aanpakken. Ze kunnen bijvoorbeeld de kosten voor ouders bewust tot een minimum beperken en daarnaast met voorschotten of gespreide betalingen werken. De stad Antwerpen stelde samen met de armoedeverenigingen Centrum Kauwenberg en Recht-Op en een aantal scholen een code op met 10 concrete vuistregels tijdens het SIF-project 'Kansen in het onderwijs'. Die code vond intussen zijn weg naar heel wat scholen. Scholen moeten ouders via het schoolreglement nu ook informeren over de te verwachten schoolkosten, dat heeft de overheid verplicht gemaakt sinds 2002. Die kosten kunnen niet meer de pan uit swingen en moeten worden besproken in de participatieraad of schoolraad. Dat zijn stappen in de goede richting, maar daarmee zijn de kosten voor de gezinnen de wereld niet uit. De vereniging S.O.S. of Schulden op School hier in Aalst is een voortrekker in hoe gemeenten een rol kunnen opnemen. Ze organiseerde bewustmakingsacties bij scholen en overheden, een schooloverstijgend steunfonds, een gemeentelijke kansenpas voor cultuuractiviteiten en goedkoper schoolvervoer. Ook sommige OCMW's (bv. Malle) zitten niet stil en steken met scholen en CLB's de koppen bijeen om structureel tot oplossingen te komen. Ik zie ook nog veel potentieel om de kwestie aan te pakken bij de Lokale OverlegPlatforms (LOP's) die in heel Vlaanderen met het gelijke-onderwijskansendecreet in het leven geroepen werden. Zo'n platform is een plek bij uitstek om passende maatregelen op lokaal vlak uit te werken. De overlegplatforms staan nog in de kinderschoenen en kennen ongetwijfeld nog de spreekwoordelijke kinderziektes, maar er kunnen goeie netwerken en samenwerkingsinitiatieven groeien tussen de organisaties die daar rond de tafel zitten - en ik hoop echt dat verenigingen waar armen het woord nemen hun stem en stempel kunnen krijgen in deze platforms. Nu is overleg met zoveel verschillende partners niet gemakkelijk en vraagt het tijd. Maar ik weet dat lokale actoren veel in beweging kunnen zetten. Nu, de Vlaamse overheid draagt een grote verantwoordelijkheid, ik zei het al: zij bepaalt het budget waarmee de scholen aan het 'koken' gaan. Mijn voorgangster, Marleen Vanderpoorten, sleutelde aan de financiële ruimte van scholen: de werkingsmiddelen van de scholen werden een beetje verhoogd; het gelijke-onderwijskansenbeleid kwam er, zorgcoördinatoren werden ingezet. Scholen moeten nu hun kosten bekend maken, de informatie over studietoelagen werd laagdrempeliger, de aanvraagprocedure eenvoudiger. Het systeem van studietoelagen in het hoger onderwijs werd versoepeld. Ik wil in deze regeerperiode verder gaan op die ingeslagen weg, want we kunnen veel doen om een verschil te maken in de portemonnee van ouders en in de reële onderwijskansen van kinderen. Er bestaan ook andere overheidsmaatregelen die van belang zijn voor jongeren met ongelijke startkansen. Ook daaraan zullen we de komende jaren met volle kracht verder werken, zoals de modulaire opleidingssystemen in het beroepsonderwijs, het deeltijds beroepsonderwijs en het buitengewoon onderwijs. Als elk deel van je opleidingstraject bekroond wordt met een deelcertificaat, dan kan je daarmee op de arbeidsmarkt terecht, zelfs wanneer je het einddiploma niet behaalt. Je komt dus nooit met lege handen van school af. Maar ik heb ook nieuwe plannen waaronder ik de volgende jaren mijn schouders wil zetten, en daarover wil ik nu vooral verder hebben.
' (kosteloosheid basisonderwijs) Een eerste is: we willen het basisonderwijs kosteloos maken. Vanaf 2007 voeren we de kosteloosheid in vanaf het zesde leerjaar en we dalen daarna stelselmatig af tot in het eerste jaar kleuteronderwijs. Dit impliceert dat basisonderwijs voor ouders kosteloos moet zijn voor alles wat te maken heeft met het bereiken van de eindtermen en het nastreven van de ontwikkelingsdoelen.
' (kosten secundair onderwijs onder controle houden) Voor het secundair onderwijs zetten we een tweesporenbeleid op stapel: er komen extra financiële middelen voor het technisch en het beroepsonderwijs en we beperken we de kosten voor de ouders. Dit tweede spoor moet tot stand komen door overleg met de inrichtende machten. De bijdragen van ouders voor onderwijs en bijkomende en buitenschoolse activiteiten moeten immers aanvaardbaar blijven. Een uniforme regeling voor heel het Vlaams secundair onderwijs is vrijwel onmogelijk. Sommige secundaire scholen hebben een ongelijke startsituatie en de verschillen in kostprijs tussen studierichtingen zijn groot. Veel technische en beroepsrichtingen zijn duurder dan het algemeen secundair onderwijs. Leerling-slagers bijvoorbeeld moeten een goede set slagersmessen aankopen, en dat kost heel veel geld. We zullen de mogelijkheid en wenselijkheid van de maximumbijdragen nagaan in overleg met de inrichtende machten, ouders en vertegenwoordigers van armenverenigingen. We willen komen tot convenants met de inrichtende machten rond kostenbeheersing in het secundair onderwijs.
' (studietoelagen) Wanner we het hebben over studiekosten die gezinnen moeten ophoesten, dan denken we meteen ook aan studietoelagen. We blijven werken om de kloof te dichten tussen de studiekosten en de studietoelagen voor mensen die het financieel moeilijk hebben. Het systeem van studietoelagen zal ook administratief eenvoudiger en duidelijker worden. En we onderzoeken grondig hoe de toelagen meer kunnen worden toegesneden op de verschillende studierichtingen. De regelgeving voor de studiebeurzen in het hoger en het secundair onderwijs zal verder meer op elkaar worden afgestemd, onder meer wat betreft de inkomensgrenzen en de berekeningswijze.
' (alle kleuters naar kleuteronderwijs) En er is nog iets dat we willen doen, voor de allerkleinsten. We willen meer kleuters bereiken met het kleuteronderwijs, eigenlijk alle kleuters. Recente cijfers over de sociale ongelijkheid in het kleuteronderwijs tonen aan dat vooral kinderen van niet-actieve ouders wegblijven van school en daardoor een achterstand oplopen. Gemiddeld 1 op de 6 (16,4%) kleuters tussen 2,5- en 3-jaar gaat nog niet naar de kleuterschool. Op 4 jaar is dat slechts 1%. Maar kleuters die niet naar de kleuterschool gaan vanaf het begin lopen een achterstand op en die halen ze niet meer in. Instappen vanaf 2,5 jaar is dus belangrijk voor hun onderwijskansen. We willen dan ook de deelname van de kleuters stimuleren en ondersteunen, bijvoorbeeld door samen te werken met instanties die ouders kunnen aanzetten om hun kinderen naar school te brengen. We denken dan in de eerste plaats aan Kind & Gezin, maar ook aan buurtinitiatieven of onderwijsopbouwwerk. Ook de verlaging van de beginleeftijd van de leerplicht kan een goed instrument zijn. De bevoegdheid om de leerplicht te verlagen ligt bij de federale overheid. Als geïsoleerde maatregel zal de verlaging van de leerplichtleeftijd weinig uithalen om leerachterstand te voorkomen bij kinderen van allochtone herkomst, uit eenoudergezinnen en van laaggeschoolde ouders. Maar samen met andere maatregelen die onder meer inspelen op sociaal-emotionele problemen en ontwikkelingsachterstanden, kan leerplicht op vijf in plaats van op zes jaar wel het verschil maken voor de meest ontwikkelingsbedreigde kinderen. We willen deze maatregelen dan ook goed voorbereiden.
' (verbetering toelatingsbeleid GOK) Verder willen we het toelatingsbeleid van het gelijke-onderwijskansendecreet, het GOK, nog verbeteren. Het hoofdstuk 'inschrijving' van het gelijke-onderwijskansendecreet wilde het recht op inschrijving in de school van eigen keuze met een decreet vastleggen. Het wilde uitsluiting vermijden en de diversiteit en de sociale samenhang bevorderen. Maar tussentijdse evaluaties en ervaringen in het veld wijzen op knelpunten, waardoor de vooropgezette doelstellingen niet altijd gerealiseerd worden. Door allerlei mechanismen kunnen vooral de zwakkere groepen in de samenleving niet altijd hun schoolkeuze doordrukken. We werken momenteel dan ook volop aan voorstellen om het inschrijvingsrecht van het gelijke- onderwijskansendecreet aan te passen. ' (brede school) Verder willen we het concept van de brede school stimuleren. Een 'brede school' is een duurzame samenwerking van scholen met andere instellingen of partners voor een optimale ontwikkeling van kinderen. Hoe die samenwerking vorm krijgt, met welke instellingen de school samenwerkt en met welk doel, hangt af van de lokale behoeften en omstandigheden. Een school kan bijvoorbeeld samenwerken met een sportvereniging om kinderen te laten kennismaken met nieuwe sporttakken, maar een brede school kan ook veel verder gaan dan dat. Een voorbeeld dat u ook in mijn beleidsnota kan vinden, is dat vanvier wijkscholen in de Gentse volkswijken Sluizeken-Tolhuis-Ham-Blaisantvest-Voormuide. Daar wordt na schooltijd en tijdens de vakanties een intens en gevarieerd vrijetijdsaanbod verzekerd aan de kinderen. Multiculturele wijkwandelingen helpen leerkrachten om zich in te leven in de leefwereld van de allochtone leerlingen uit hun klas. Ouders worden warm gemaakt door vertel- en voorleesprojecten. Ze kunnen in de school zelf Nederlandse taalles volgen, aangeboden door het Centrum voor Basiseducatie. Er wordt gepraat over huiswerk, agenda´s, opvoedingsprincipes, enzovoort. Samen met de politie wordt in alle betrokken scholen ook gewerkt rond verkeersveiligheid. Het samenbrengen van partners uit verschillende sectoren - welzijn, jeugd en sport…- rond een school maakt de leeromgeving slagvaardiger en boeiender. De inbreng van verschillende actoren brengt een dynamiek op gang in de school en haar omgeving. Leerlingen krijgen de kans om dingen te doen en te leren die in de klas of thuis niet aan bod komen, en ook hun ouders of de wijkbewoners kunnen daarbij worden betrokken. Voor de partnersectoren is de school een unieke toegangspoort om hun werking te verstevigen, want dat is immers de enige plek in onze samenleving waar iedereen passeert. En het welbevinden en de schoolprestaties van leerlingen varen er wel bij, zo blijkt uit buitenlands onderzoek. De brede school vormt een gezamenlijke verantwoordelijkheid van verschillende sectoren. Ze kan slechts vruchten afwerpen als ze vanuit de basis tot stand komt. Wij zullen de samenwerkingsverbanden de nodige ruimte en ondersteuning bieden. Wie wil samenwerken, moet dat ook kunnen. Momenteel overlegt mijn kabinet volop met de kabinetten Welzijn, Jeugd en Sport om een zicht te krijgen op hun visie en middelen... Op korte termijn zullen de juridische belemmeringen worden uitgeklaard: hoe kan bijvoorbeeld schoolinfrastructuur door de buurt gebruikt worden? Ook hier kunnen de LOP's goede praktijkvoorbeelden opsporen en promoten.
(MENTALITEIT) Nu, structuren bijstellen en middelen vrijmaken is één ding. Maar het volstaat niet. Er is ook nood aan een mentaliteitswijziging, aan beide kanten: de school en de ouders. Culturen, manieren van denken en doen moeten veranderen. Dat vraagt meer tijd dan structuren bijstellen. Vele leerkrachten behoren tot de middenklasse en ze hebben in hun dagelijkse leven geen contact met leerlingen uit de lagere sociale klassen. Ze weten niet hoe hun wereld eruit ziet, met welke moeilijkheden ze worstelen, welke kwaliteiten ze in hun mars hebben. Daardoor hebben ze doorgaans geen correct beeld van die leerlingen. Heel wat leerkrachten vermoeden bijvoorbeeld dat ouders met een laag inkomen geen interesse hebben voor de school van hun kinderen. De 'andere' bagage van kinderen uit arme gezinnen doen ze gemakkelijk af als achterstand, als onvoldoende. Omgekeerd hebben die ouders en kinderen vaak ook vooroordelen tegenover leerkrachten. Er is dus aan beide kanten een mentaliteitswijziging nodig. Voor die broodnodige cultuurverandering en die mentaliteitswijziging willen we aan de kar trekken. Althans wat de scholen en de CLB's betreft.
' (inschakeling van ervaringsdeskundigen) Scholen met kansarme leerlingen willen we ondersteunen via inschakeling van ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting. Die mensen hebben een nieuw beroep, dat de 'missing link' moet vormen tussen mensen die in armoede leven enerzijds en veldwerkers en beleidsmakers anderzijds. Nog niet zo lang geleden erkende de Vlaamse overheid de methodiek van werken met ervaringsdeskundigen. De uitdrukkelijke keuze om armen bij het overheidsbeleid te betrekken, vertaalt zich o.a. in de opleiding en inschakeling van opgeleide ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting. Zowel voor de opleiding zelf als voor de inschakeling van ervaringsdeskundigen heb ik de afgelopen tijd maatregelen genomen. Ik heb beslist fundamenteel in de opleiding te investeren. Het aantal afgestudeerde ervaringsdeskundigen is momenteel nog beperkt. Door de middelen waarin vanaf september wordt voorzien, kunnen de centra voor volwassenenonderwijs niet alleen de opleiding voor de drie lopende opleidingsgroepen voortzetten, maar ook twee bijkomende opleidingsgroepen opstarten. Voor de inschakeling van de ervaringsdeskundigen in het onderwijs heb ik een overeenkomst gesloten met De Link. Via deze overeenkomst willen we zicht krijgen op de takenpakketten van de deskundigen in het onderwijs en observeren hoe ze een hefboom vormen bij het bestrijden van kansarmoede. De ervaringsdeskundigen werken zowel in scholen als in CLB's. Uit een evaluatie zal moeten blijken hoe en waar ze het meest zinvolle werk kunnen doen. Ik ben ervan overtuigd dat hun expertise zal helpen om kansarme leerlingen en hun ouders beter te bij het onderwijs betrekken, en om de deskundigheid van de school op dat vlak te verbeteren.
' (lerarenopleidingen) Opdat leerkrachten meer voeling zouden krijgen met de sociale beginsituatie van de leerlingen en beter leren omgaan met verschillen, richten we ons met een aantal projecten ook op de lerarenopleidingen. De Week van de Diversiteit bijvoorbeeld in het komende schooljaar. Dat project wordt voorbereid met een stuurgroep waarin kabinetten en administraties onderwijs, jeugd, cultuur, gelijke kansen, inburgering, middenveldorganisaties en onderwijsmensen allerhande zitting hebben, en in een werkgroep van de lerarenopleidingen. De bedoeling is om vanaf oktober met lectoren en studenten in de lerarenopleidingen en middenveldorganisaties hun expertise gaan uitwisselen over diversiteit. Wellicht zal dit ook uitlopers kennen in het leerplicht- en hoger onderwijs. Met dit project wil ik een visie op diversiteit duurzaam verankeren bij lerarenopleidingen en toekomstige leerkrachten. Ik wil hier uitdrukkelijk zeggen dat ik wens dat ook organisaties die rond armoede werken zouden inspelen op de kans om met lerarenopleidingen samen te werken, zodat leerkrachten meer aandacht krijgen voor het feit dat niet iedereen dezelfde bagage meekrijgt van thuis. Want het gebeurt nog altijd dat kinderen omwille van hun sociale afkomst onterecht naar het buitengewoon onderwijs worden verwezen. Ze worden dan gecategoriseerd onder kinderen met een licht mentale handicap (type 1), met een gedragsstoornis (type 3) of met een leerstoornis (type 8). Maar eigenlijk horen zij thuis in het gewone onderwijs. De inspanningen voor inclusief onderwijs moeten zich dan ook richten op kinderen uit kansarme milieus. De regel is: kinderen moeten in het gewoon onderwijs terechtkunnen wanneer dat kan, in het buitengewoon enkel wanneer het moet. Het nieuwe financieringssysteem dat we aan het uittekenen zijn, zal deze benadering ondersteunen. (slot)
Dames en heren,
Het valt u wellicht op dat ik hier vandaag regelmatig namen van andere sectoren en instanties vermeld heb. Ik ben ervan overtuigd dat de problemen van armen in het onderwijs niet los te zien zijn van de uitsluitingsproblemen die ze in andere domeinen ervaren. Om greep te krijgen op de vele aspecten van armoede moeten we als Vlaamse overheid een integrale aanpak voorstaan. Ik zweer dus bij een nauwe samenwerking tussen de sectoren onderwijs en vorming, welzijn, werk, gemeentelijk beleid, woonbeleid ... Zij moeten de handen in elkaar slaan. Een dag als deze, die heel wat goede praktijken bekendmaakt, werkt alvast inspirerend en enthousiasmerend voor wie wakker ligt van goed onderwijs en gelijke onderwijskansen. Ik wil de organisatoren dan ook graag feliciteren met dit initiatief in een stad die al heel wat op haar palmares heeft op het vlak van armoedebestrijding dat navolging verdient, overal in Vlaanderen.
Ik dank u. |