Beleidsnota van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming, Frank Vandenbroucke – 2004
Nog te vaak wegen schooluitgaven zwaar door in het budget van mensen die met moeite de eindjes aan elkaar kunnen knopen. De kosteloosheid van het basisonderwijs is niet alleen een politieke prioriteit. Het is een recht gewaarborgd door internationale verdragen en door de Grondwet. In het regeerakkoord hebben we een duidelijk traject voor uitvoering vastgelegd. Vanaf 2007 beginnen we met de invoering van de kosteloosheid in het zesde leerjaar en dalen zo af tot in het eerste jaar kleuteronderwijs. Dit impliceert dat basisonderwijs voor ouders kosteloos moet zijn voor alles wat te maken heeft met het bereiken van de eindtermen en het nastreven van de ontwikkelingsdoelen. Wel zullen we duidelijkheid moeten creëren over de juiste inhoud van eindtermen en ontwikkelingsdoelen.
Zolang de kosteloosheid in het basisonderwijs niet volledig is gerealiseerd, zal er op schoolniveau een beleid worden ontwikkeld, gericht op strikte beheersing van de kosten die worden gemaakt voor het bereiken van de eindtermen. Scholen moeten er ook naar streven om – via overleg met alle betrokkenen en goede praktijkvoorbeelden – de kosten van buitenschoolse activiteiten, uitstappen en reizen, beheersbaar te houden.
Om budgettaire redenen, maar ook omwille van de grote verscheidenheid aan scholen en studierichtingen en de grote verschillen in behoeften voor werking en uitrusting, is kosteloosheid van het secundair onderwijs voorlopig geen haalbare kaart. We kiezen voor een tweesporenbeleid. Enerzijds zullen we zorgen voor extra financiële middelen voor het technisch en het beroepsonderwijs, anderzijds zullen we de beperking van kosten voor de ouders stimuleren.
Wat het eerste spoor betreft: niet enkel de snelle technologische ontwikkelingen, maar ook de noodzaak aantrekkelijke leeromgevingen te scheppen, maken dat TSO- en BSO-scholen behoefte hebben aan een moderne en veilige basisuitrusting. Optimale voorbereiding op de arbeidsmarkt veronderstelt een opleiding met moderne didactische infrastructuur. Wetenschappelijk onderzoek leert ons bovendien dat deze studierichtingen, samen met KSO-studierichtingen, de duurste zijn voor ouders en leerlingen en bovendien proportioneel meer leerlingen uit zwakkere sociaal-economische milieus aantrekken. Méér middelen uittrekken voor de studierichtingen uit het TSO en BSO is dan ook niet meer dan billijk. Zo willen we de schoolfactuur beperken.
Voor het tweede spoor zullen we overleg starten met de inrichtende machten om de bijdragen van ouders voor onderwijs (wat kost het om de eindtermen te bereiken?) en additionele en buitenschoolse activiteiten te beperken tot een aanvaardbaar niveau. Een uniforme regeling voor heel het Vlaams secundair onderwijs is vrijwel onmogelijk, gelet op de ongelijke startsituatie van de secundaire scholen en de grote verschillen in kostprijs tussen studierichtingen. Daarom zullen we de maximumbijdrage differentiëren, onder andere volgens studierichting.
Voor studierichtingen waarvoor een dure uitrusting nodig is (bijvoorbeeld slagersmessen in de slagersopleiding) denken we aan een beperkt fonds. Voor studierichtingen die leiden tot knelpuntberoepen kan een toelage voor de aankoop van de uitrusting een stimulans zijn. Het is wel de bedoeling dat die toelage op termijn wordt terugbetaald. |